Het noodlot van ds. van Herwaarden

Wie zich verveelt, zou eens op internet op achternamen kunnen gaan zoeken. Daar doe je de vreemdste ontdekkingen. Bijvoorbeeld een boekje met de titel “Omstandig verhaal van de ontzettende gebeurtenissen te Opheusden, de dood van ds. A. van Herwaarden” door J. de Vletter.

Maar laten we bij beginnen bij het begin. 
Adrianus van Herwaarden werd 26 september 1815 geboren in Gorinchem, zoon van schipper Gerrit van Herwaarden en Dirkje Verheij. Hij studeerde met succes voor dominee en trouwde in 1843 met Sija Maria Visser.

Na het vertrek van Ds. J.J. Knap uit Fijnaart naar de Friese gemeente Heeg ontving de kerkenraad van de Hervormde Gemeente in Fijnaart bericht van ds. A. van Herwaarden uit Waarder, dat hij het op hem uitgebrachte beroep had aangenomen. Op 1 maart 1846 werd ds. Van Herwaarden in Fijnaart bevestigd door ds. F. van Spall. Al in de namiddagdienst hield de nieuwe dominee een leerrede. De dominee bleef acht jaar, hoewel hij een record aantal beroepen kreeg toen hij predikant was in Fijnaart en Heijningen; het waren er negen in totaal.
“Over de periode dat ds. Van Herwaarden predikant was in onze gemeente valt niet zo heel veel te vertellen,” zo schrijft J. van Doorn in zijn boekje ’400 jaar Protestantisme in de Noord-Westhoek’.  Dat mag op kerkelijk gebied zo zijn, maar privé ging het de dominee bepaald niet voor de wind. Op 22 maart 1850 overleed nl. zijn vrouw Sija Maria Visser en op 15 juli van dat jaar zijn dochtertje Dirkje. Allebei werden zij begraven in Fijnaart.

Het geluk lachte hem weer toe toen hij en nieuwe echtgenote vond in zijn buurmeisje Jenneke van Dis. Jenneke was de 21-jarige dochter van Jan Meeuwis van Dis en Maria van der Linden. Zij werd geboren op 9 april 1830. Zij was het 17e kind van Jan Meeuwis die twee keer trouwde en vader was van in totaal 20 kinderen. De familie Van Dis woonde op het adres Kuip 29 aan de Kerkring, bekend als huize Kerkzicht.

Dominee Adrianus en Jenneke trouwden op 8 januari 1852 in Fijnaart en plaatsten een advertentie in het Algemeen Handelsblad als Algemeene Kennisgeving. Behalve de bruidegom, de bruid en haar beide ouders waren er ook getuigen: Gerrit van Herwaarden, winkelier te Gorinchem, Dirk van Dis, halfbroer van de bruid, herbergier, Gerrit Soetens, zwager, en Adrianus Jansz. van Dis, broer en landbouwer. Op 11 december van hetzelfde jaar werd hun eerste kindje Maria geboren. Helaas kreeg Jenneke in januari 1854 nog een doodgeboren zoontje. Op 22 april 1854 nam de dominee het op hem uitgebrachte beroep van de gemeente Opheusden aan en zo vertrok de familie twee maanden later naar het kleine dorp in de Betuwe.

Een jaar later. Hier gaan we verder met het verslag uit het boekje van J. de Vletter:
Zondag, den negenentwintigste Julij 1855, blijft voor de Hervormde Gemeente van Opheusden onvergetelijk. In de Pastorie bevonden zich twee zusters der echtgenoote van onzen Leraar, leden der Gemeente Fijnaart, waar hij vóór zijn komst alhier, acht jaren met grooten zegen werkzaam was. Des namiddags betrad onze Leeraar zelf den kansel. Als altijd, waren er honderden opgekomen: rondom zich zag hij in die talrijke schare, leden van elke zijner gemeenten.

Hij preekte over Mattheüs 5, vers 27-32. De lucht was zeer betrokken. Die buiten waren, zagen dat ééne bui uit het Zuiden opdreef, terwijl een andere uit het Westen door het Noorden kwam opzetten. Eene helderglanzende zilverstreep scheen ze een tijdlang te scheiden , tot dat zij al donkerder en zwarter als twee vijandige  gevaarten op elkander schenen te stooten. Steeds heviger en klaterde en rolde de donder; sneller en geweldiger volgden de slagen; het zware kerkgebouw dreunde: eenige vrouwen verlieten de kerk. Onrust, gejaagdheid en angst zag men op ieders gelaat. Verwarring begon zich te vertoonen. Het snikken en jammeren eeniger vrouwen deed hem zijne rede staken. “Vrienden!” sprak hij toen, “beseft toch dat wij ons overal en altijd in de hand Gods bevinden. Hij kan ons hier in Zijnen tempel ook behoeden, neven als elders. Hij is almagtig en geducht, maar Hij is ook lankmoedig en groot van goedertierendheid.” Deze woorden werden op diep bewogen toon door Zijne WelEerwaarde  vloeijend  uit gesproken, onder het gedurig flikkeren de bliksems en het ratel van de donder. Nu zag de Leeraar mij een oogenblik aan en zeide toen tot de ouderlingen: “Broeders! Wat zullen wij doen? Wat is hier gebruikelijk?” Waarop de de naastbijzittende ouderling antwoordde: “Dominé! Zoo heb ik het nog nooit bijgewoond!”

Daar slaat, met ijzingwekkende, ondenkbare snelheid, eene vonk het op het voorhoofd; reeds levenloos zijgt het voorover, terwijl het geheele ligchaam achterwaarts zinkt. Op het zelfde moment spijt de voet des kansels uiteen, de donder barst voor onze voeten huiveringwekkend brullend los, de kerk davert; ieder vliegt op en vlugt met dan doodsangst op het gelaat; eene sterke zwavel-kruiddamp heft zich op, ik ijl de preekstoel op, spring over de deur naar binnen en omvat het lijk van den dierbaren Leeraar en vriend. Zeer spoedig komen anderen mij te hulp. Menigte van vriendenhanden ontvingen het stoffelijk overschot des onvergetelijken, en, het door zoovele trouwe harten omgeven ziende, spoedde ik mij naar zijne vrouw en kinderen.

Het was de wil der weduwe, dat het stoffelijk overschot haars echtvriends zou gevoerd worden naar de Fijnaart, zijne voorlaatste gemeente, hare geboorteplaats. Zij wenschte met lijk eene plaats te ontvlieden die haar lief en aangenaam was, sinds zij voor nauwelijks dertien maanden aan zijne zijde hier welkom geheeten, schier dag op dag de welgemeendheid dier betuiging had zien bevestigen, doch die haar nu eensklaps koud en onverschillig zag voor alles en allen, behalve voor dien éénen, die haar voor altijd ontnomen was.

Eindelijk kwamen op Woensdagmorgen ook de broeders der weduwe aan. Door het, uiterst trage brievenverkeer was de tijding niet voor Dingsdags morgens ten tien ure aan de Fijnaart. Het gerucht was den tijding reeds vooruit. Aan den oudsten broeder der weduwe gelukte het de begrafenis alhier te doen plaats grijpen, door de weduwe zeer menschkundig te wijzen op het gevaar van al te groote aandoening voor hare hoogbejaarde moeder te Fijnaart. Hoe ging het verder? Jenneke vertrok met haar kinderen naar Fijnaart en tot haar geluk trouwde zij zeven jaar later, op 3 juli 1862 in Klundert met de 31-jarige Meeuwis Johannes de Lint, van beroep Genees- en Verloskundige. Helaas heeft ook dit geluk niet lang geduurd, want Jenneke overleed  op 33-jarige leeftijd  in Zevenbergen.

Was het dan alleen maar kommer en kwel? Maria, de dochter die in 1852 Fijnaart werd geboren trouwde een zeer goede partij. Op 25 april 1878, huwde de 25-jarige Maria in Zevenbergen de eveneens 25-jarige Hoogedelgeboren Heer Jonkheer Quarles van Ufford, waardoor Maria van Herwaarden in de stand der edelen werd verheven en zich Jonkvrouwe mocht noemen. Wat jammer dat haar ouders dit niet meer hebben mogen meemaken.

Bronnen:

  • Omstandig verhaal etc. door J. de Vletter 
  • Vierhonderd jaar Protestantisme etc. door J. van Doorn